De bekostiging van het middelbaar beroepsonderwijs krijgt, als het aan het kabinet ligt, een stevige herziening. Tot nu toe hing de geldstroom naar mbo instellingen vooral samen met het aantal ingeschreven studenten. Maar vanaf 2029 moet een ander model gelden, met een vast basisbedrag per instelling, extra steun voor krimpregio’s en meer ruimte voor regionale samenwerking. Dat is een grote koerswijziging met duidelijke gevolgen voor scholen, studenten en regio’s.
Van studententelling naar regionale zekerheid
In regio’s als Zeeland, Groningen, Friesland, Drenthe en Limburg loopt het aantal mbo studenten al jaren terug. Maar de kosten van een school zakken niet mee omlaag. Een gebouw blijft een gebouw, praktijklokalen blijven duur en docenten stuur je ook niet even naar huis. Daar zit de pijn van het huidige systeem.
Minister Letschert wil daarom af van de bijna automatische koppeling tussen bekostiging en studentenaantallen. In het nieuwe model krijgt iedere mbo instelling een vaste voet, een gegarandeerd bedrag dat ongeveer een kwart van de totale bekostiging beslaat. Daarnaast komt er jaarlijks 81 miljoen euro beschikbaar via een toegankelijkheidstoeslag voor gebieden waar de instroom scherp daalt. Ook wordt 200 miljoen euro gereserveerd voor samenwerkingsplannen tussen scholen en werkgevers in de regio. Het idee daarachter is dat scholen elkaar minder moeten beconcurreren en hun opleidingsaanbod slimmer moeten afstemmen op de arbeidsmarkt.
Herverdelen doet pijn
De aanpassing wordt grotendeels betaald uit de bestaande mbo begroting. Van de circa 5 miljard euro die jaarlijks beschikbaar is, wordt 66 miljoen euro anders verdeeld. Dat betekent onvermijdelijk dat er winnaars en verliezers zijn. Scholen in krimpgebieden gaan erop vooruit, terwijl veel instellingen in stedelijke en groeiregio’s juist wat moeten inleveren. Naar verwachting krijgen 41 van de 53 mbo instellingen daarmee te maken. De terugval wordt wel begrensd, uiteindelijk mag die niet verder oplopen dan 4 procent.
Opvallend is dat de sector zelf overwegend positief reageert. De MBO Raad noemt het plan breed gedragen, ook door instellingen die straks minder budget ontvangen. Dat zegt iets. Kennelijk is het besef doorgedrongen dat bereikbaarheid van mbo onderwijs niet alleen een Randstadzaak is, maar een nationaal vraagstuk.
Deze discussie gaat overigens over meer dan geld alleen. De Onderwijsinspectie meldde onlangs dat 44 procent van de mbo opleidingen niet aan de basiskwaliteit voldoet. Tegelijk blijkt uit signalen van het ministerie dat ook de betaalbaarheid voor studenten onder druk staat. Daarom bevat het plan eveneens een bedrag van 80 miljoen euro per jaar om minderjarige mbo studenten vanaf 2029 te ondersteunen met onder meer boeken, software en noodzakelijke werk- of veiligheidskleding.
Het wetsvoorstel moet nog naar de Kamer. Toch laat deze herziening al zien welke kant het opgaat, minder blind rekenen per student, meer oog voor regionale toegankelijkheid en continuïteit. Voor het mbo is dat, alles bij elkaar genomen, een ingreep met grote onderwijskundige betekenis.
Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst