Extreem sterke daling acceptatie homoseksualiteit onder scholieren

De houding tegenover homoseksualiteit onder Nederlandse scholieren is in vier jaar tijd fors slechter geworden. Bij jongens in het voortgezet onderwijs daalde het aandeel van 40,3 naar 22,3 procent, bijna een halvering. Ook meisjes denken minder positief over homoseksualiteit. Dat blijkt uit het HBSC onderzoek 2025 van de Universiteit Utrecht en het Trimbosinstituut.

Brede terugval

Onder alle leerlingen in het voortgezet onderwijs zakte het aandeel met een positieve houding van 59,1 procent in 2021 naar 36,5 procent in 2025. Bij meisjes was de daling in procentpunten zelfs groter dan bij jongens: van 78,1 naar 51,3 procent. In groep 8 liep het aandeel terug van 56,8 naar 42,1 procent.

De cijfers zijn gebaseerd op antwoorden van 1.510 leerlingen uit groep 8 en 5.103 leerlingen uit het voortgezet onderwijs. Zij reageerden onder meer op stellingen over vriendschap met homoseksuele jongeren en over zoenende jongens en meisjes. Een belangrijke kanttekening: wie niet als positief wordt ingedeeld, heeft niet automatisch een negatieve houding. Er is ook een middengroep.

Openheid op school minder vanzelfsprekend

Kan een homoseksuele of lesbische leerling op school eerlijk vertellen op wie die valt? Nog maar 44,9 procent van de middelbare scholieren denkt van wel. Vier jaar eerder was dat 59,6 procent. Het gaat hierbij om de inschatting van leerlingen, niet om een rechtstreekse meting van feitelijke veiligheid. Toch verdient dit signaal aandacht. Wat leerlingen verwachten van klasgenoten, kan immers meewegen in hun beslissing om iets persoonlijks te delen.

De verschillen tussen schoolsoorten zijn groot: binnen de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen van het vmbo denkt 29 procent dat openheid mogelijk is, tegenover 58 procent op het vwo.

Leerlingen met een migratieachtergrond hebben gemiddeld minder vaak een positieve houding tegenover homoseksualiteit dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Maar in beide groepen is sprake van een duidelijke daling. Bovendien bleef hun aandeel in de steekproef ongeveer gelijk. De onderzoekers benadrukken daarom dat hun gegevens migratie niet ondersteunen als verklaring voor de terugval. Hierbij valt wel op te merken dat alle leerlingen met een migratieachtergrond op één hoop gegooid zijn. Naar de invloed van afzonderlijke religies is geen onderzoek gedaan, terwijl dat wel een gedeeltelijke verklaring zou kunnen bieden.

De onderzoekers wijzen vooral op een verruwd maatschappelijk debat, weerstand tegen seksuele vorming en de verspreiding van negatieve opvattingen via sociale media. Een oorzakelijk verband met deze onderzoeksuitkomsten is echter niet aangetoond.

De norm wordt ook tussen lessen bepaald

Voor docenten ligt een aangrijpingspunt in alledaagse situaties. Een scheldwoord in de gang, een denigrerende grap tijdens de les: juist de reactie daarop maakt zichtbaar welk gedrag de school accepteert.

Rutgers onderzoeker Javier Koole benadrukt dat volwassenen een positieve norm moeten uitdragen. Dat vraagt om meer dan een jaarlijkse themadag. Structurele aandacht in lessen en mentoraat, een herkenbare pestaanpak en ondersteuning van een Gender & Sexuality Alliance kunnen elkaar versterken. Ook gesprekken over online beïnvloeding en samenwerking met ouders horen daarbij.

Anderen zien juist in het opdringen van lhbti-thema’s een gedeeltelijke verklaring voor de dalende acceptatie.

VorigeCCVX-voortentamen: wat je als docent moet weten voordat je een leerling adviseert
Reacties (0)

Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst

Laat een reactie achter