De Staat van het Onderwijs 2026 laat opnieuw een ongemakkelijk beeld zien. Wie hoopte op een duidelijke opwaartse lijn in rekenen, taal en lezen komt bedrogen uit. De Inspectie van het Onderwijs concludeert dat echte vooruitgang nog altijd uitblijft. In het funderend onderwijs kreeg 16 procent van de onderzochte scholen en afdelingen een onvoldoende, 2 procent werd zelfs als zeer zwak beoordeeld. In het mbo is het beeld nog een stuk slechter, daar ontving maar liefst 44 procent van de opleidingen een onvoldoende en 1 procent het oordeel zeer zwak.
Voor het eerst sinds 2017 zijn ook weer reguliere steekproeven uitgevoerd bij scholen zonder duidelijke risicosignalen. In totaal werden de afgelopen twee jaar 1.208 scholen en afdelingen onderzocht, inclusief het speciaal onderwijs. Met andere woorden, dit gaat niet uitsluitend over bekende probleemlocaties.
Basisvaardigheden blijven het grootste knelpunt
Het hardnekkigste probleem zit nog steeds bij de basisvaardigheden. Taal, rekenen en burgerschap vormen op veel scholen een zwakke plek. Meer dan de helft van de scholen krijgt op deze onderdelen een herstelopdracht, in het voortgezet onderwijs loopt dat zelfs op tot bijna driekwart. De inspectie schrijft dat de inspanningen van scholen, besturen en overheid nog onvoldoende zichtbaar zijn in de resultaten. Er gebeurt dus wel van alles, maar in de klas en in de opbrengsten is dat nog niet overtuigend terug te zien.
Vooral in de onderbouw van het voortgezet onderwijs blijft de terugval pijnlijk zichtbaar. De leesvaardigheid en woordenschat liggen daar nog steeds onder het niveau van voor de coronaperiode. Ook rekenen en wiskunde laten in met name het vmbo verdere achteruitgang zien. Op basisscholen zijn taal en rekenen inmiddels ongeveer terug op het oude niveau, maar dat is nauwelijks reden voor opluchting, want ook dat uitgangspunt was al broos. Een klein lichtpunt is er wel, op het vwo is bij wiskunde sprake van enige verbetering.
Schoolleiders cruciaal, maar vaak overvraagd
Volgens de inspectie ligt een belangrijk deel van de sleutel bij schoolleiders. Zij zouden richting moeten geven aan kwaliteitsverbetering, maar worden in de praktijk opgeslokt door personeelstekorten, administratie, huisvestingsvragen, overleg en de dagelijkse hectiek. Besturen moeten hen daarom beter ontlasten, bijvoorbeeld door ondersteunende taken slimmer te beleggen. Tegelijk klinkt er uit het veld ook een ander geluid. Niet alleen tijdgebrek speelt mee, zo wordt gesteld, maar ook de kwaliteit van onderwijskundig leiderschap zelf. Dat vraagt om gerichte professionalisering.
Het rapport laat daarnaast zien dat onderwijsongelijkheid regionaal doorwerkt in schoolloopbanen en latere arbeidsmarktkansen. Waar een kind opgroeit, blijkt nog altijd van invloed op advisering, doorstroom en opleidingsroute. Verder signaleert de inspectie dat sociale veiligheid onder druk kan komen te staan, mede door online invloeden en een toename van meldingen van fysiek geweld. Intussen groeit in delen van het onderwijs ook de aandacht voor duurzaam onderwijs, al blijft de vertaling van ambitie naar lespraktijk bepaald geen vanzelfsprekendheid.
Per saldo is de boodschap helder. De kwaliteitsverbetering waar al jaren op wordt ingezet, is nog onvoldoende zichtbaar. Voor scholen betekent dat een scherpe focus op basisvaardigheden, doelgericht burgerschapsonderwijs en sterk leiderschap.
Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst