Leraren op basis- en middelbare scholen zijn nog lang niet klaar voor de invoering van passend onderwijs. Dat blijkt een onderzoek onder ruim 2.000 docenten van vakbond CNV Onderwijs.

Ze zeggen onvoldoende betrokken te zijn door schoolleiders. Bovendien ontbreken de vaardigheden om adequaat om te gaan met kinderen met een handicap of met gedragsprobleem.

Vorig jaar protesteerden docenten en masse tegen de snelle invoering van passend onderwijs, waardoor de introductie met een jaar werd uitgesteld. Maar in een jaar tijd lijkt er onder het docentencorps weinig te zijn gebeurd.

Samenwerkingsverbanden

Per 1 augustus 2014 moeten reguliere scholen zoveel mogelijk kinderen met een handicap of gedragsproblemen opvangen die nu nog worden verwezen naar het speciaal onderwijs. Op dit moment financiert de overheid per leerling die extra ondersteuning nodig heeft via het 'rugzakje'. Dat verdwijnt. Er worden regionale samenwerkingsverbanden tussen scholen opgericht die bepalen waar de middelen worden ingezet. Vooralsnog is er met name binnen die samenwerkingsverbanden over passend onderwijs gesproken, maar niet op scholen zelf.

Volgens Sandra Koot, voorzitter van de CNV-stuurgroep Passend Onderwijs betrekken schoolleiders hun docenten onvoldoende bij de veranderingen. Überhaupt zijn leraren onvoldoende in staat om kinderen extra hulp te bieden. "56 procent van de basisschoolleraren beschikt niet eens over alle vaardigheden nodig in het regulier onderwijs, in het voortgezet onderwijs - havo/vwo - is dat 72 procent, aldus de onderwijsinspectie. Laat staan dat ze klaar zijn voor de leerlingen die ze straks in de klas krijgen: lichamelijke handicap, zeer moeilijk lerend en gedragsstoornissen."

Vooral met die laatste categorie hebben leraren moeite, onderstreept ook de onafhankelijke evaluatie- en adviescommissie die de invoer van passend onderwijs begeleidt.