Om jonge leraren te behouden voor het primair en voortgezet onderwijs, wordt in totaal 150 miljoen euro uit het onderwijsbudget voor de komende jaren naar voren gehaald. Deze maatregel komt voort uit het Nationaal Onderwijsakkoord.

De komende jaren treden er zoveel oudere leraren uit het onderwijs, dat er ondanks de krimp van het aantal leerlingen een gat in het personeelsbestand ontstaat. Daarom is het nodig om jonge leraren, die gezien de krimp op korte termijn geen werk meer zouden hebben, voor het onderwijs te behouden.

Jonge leraren binden aan het onderwijs is goedkoper dan hen te ontslaan. Als voor dat laatste zou worden gekozen, wordt het onderwijs geconfronteerd met hogere premies voor het Participatiefonds in verband met stijgende werkloosheidsuitgaven. Bovendien is de kans groot dat jonge leraren die worden ontslagen, elders werk vinden. Daardoor zouden ze voor het onderwijs verloren gaan, terwijl ze daar over enkele jaren weer hard nodig zijn.

Daarom is bepaald dat er een zogenoemde kasschuif plaatsvindt. De 150 miljoen euro die naar voren wordt gehaald, komt uit de begrotingen voor 2016 en 2017. Het primair onderwijs krijgt 85 miljoen euro (52,85 euro per leerling). De resterende 65 miljoen gaat naar het voortgezet onderwijs (69,35 euro per leerling).