Een spiekbriefje klinkt op school meestal als iets wat je juist wilt voorkomen. Toch kan hetzelfde idee ook een leerzame werkvorm opleveren. Laat leerlingen zelf een kleine kenniskaart maken waarop alleen de belangrijkste begrippen, regels, formules of voorbeelden mogen staan. Het doel is niet om een toets makkelijker te maken. De uitdaging zit in het kiezen: wat moet absoluut op dat ene kaartje en wat kan weg?
Kiezen dwingt leerlingen om na te denken
Wie een heel hoofdstuk mag overschrijven, hoeft weinig keuzes te maken. Bij een klein kaartje ligt dat anders. Er is maar beperkt plaats. Leerlingen moeten daardoor bepalen welke informatie belangrijk is en hoe onderdelen met elkaar samenhangen. Je kunt vooraf duidelijke regels geven. Denk aan één A5-vel of een dubbelgevouwen A4. Laat leerlingen zelf schrijven en bepalen hoe ze de ruimte gebruiken. Met verschillende pennen kunnen ze begrippen, formules en voorbeelden van elkaar onderscheiden. Het gaat daarbij vooral om de indeling die zij zelf maken. Zo ontstaat een kenniskaart die voor iedere leerling anders kan zijn. De ene leerling werkt graag met korte zinnen, terwijl een ander pijlen, vakken of kleine tekeningen gebruikt. Dat verschil is juist interessant, omdat leerlingen moeten nadenken over een vorm die voor hen begrijpelijk is.
Het kaartje hoeft geen eindproduct te zijn
De werkvorm wordt sterker als het kaartje tijdens meerdere lessen verandert. Na een eerste uitleg kunnen leerlingen een beginversie maken. Na een oefenopdracht bekijken ze opnieuw wat erop staat. Misschien blijkt een begrip toch minder belangrijk of ontbreekt juist een handige tussenstap. Je kunt leerlingen ook elkaars kaart bekijken. Daarbij hoeven ze niets letterlijk over te nemen. Laat ze vooral bespreken waarom iemand voor een bepaalde indeling heeft gekozen. Zo gaat het gesprek vanzelf over de inhoud van de les. Aan het einde van een hoofdstuk kan de docent een korte opdracht geven waarbij leerlingen hun kaart eerst wegleggen. Ze beantwoorden enkele vragen uit het hoofd en controleren daarna welke onderdelen ze goed konden terughalen. Vervolgens kunnen ze hun kaart aanpassen aan wat ze nog lastig vinden.
Eenvoudige materialen krijgen een duidelijke functie
Voor deze vorm van werken zijn weinig schoolspullen nodig. Papier, schrijfmateriaal en eventueel een liniaal zijn meestal genoeg. Juist die beperking helpt om de aandacht bij de inhoud te houden. Een kaart vol kleuren, stickers en versiering kan aantrekkelijk ogen, terwijl iedere toevoeging wel een duidelijke functie moet hebben. Daarom kan het nuttig zijn om vooraf één vraag centraal te stellen: helpt deze toevoeging om de informatie sneller te begrijpen? Een kleur voor begrippen kan handig zijn. Een kader rond uitzonderingen kan ook duidelijkheid geven. Decoratie zonder duidelijke functie neemt ruimte in die ook voor inhoud gebruikt kan worden.
Gebruik het spiekbriefje ook zonder toets
Een kenniskaart hoeft niet gekoppeld te zijn aan een proefwerk. Je kunt dezelfde aanpak gebruiken bij de start van een nieuw onderwerp. Laat leerlingen aan het begin opschrijven wat ze al weten en geef ze gedurende de lessen ruimte om informatie toe te voegen of te veranderen. Ook bij vakken met veel begrippen is deze aanpak bruikbaar. Bij geschiedenis kan een kaart verbanden tussen gebeurtenissen laten zien. Bij natuurkunde kunnen formules en eenheden naast elkaar staan. Bij talen passen grammaticale regels en korte voorbeelden op hetzelfde vel. Zo wordt het toegestane spiekbriefje een hulpmiddel waarmee leerlingen zichtbaar maken hoe zij de leerstof hebben geordend.
Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst