Een leerling staat niet los van de klas waarin hij of zij toevallig terechtkomt, zo blijkt uit nieuw onderzoek van de Erasmus School of Economics. Leerlingen met dezelfde eindtoetsscore krijgen namelijk niet altijd hetzelfde advies voor de middelbare school. Wie relatief hoog eindigt binnen de eigen groep, maakt vaker kans op een vwo advies. Wie lager eindigt loopt juist sneller tegen een lager advies aan. Dat is een conclusie die behoorlijk kan doorwerken in de verdere schoolloopbaan.
Wat het onderzoek laat zien
Onderzoeker Max Coveney bekeek grote landelijke datasets en stuitte op een patroon. Als een leerling binnen de klas ongeveer 10 percentiel stijgt, grofweg een paar plekken omhoog dus, neemt de kans op het hoogste schooladvies met zo’n 2,5 procentpunt toe. En dat terwijl de gemeten prestatie, bijvoorbeeld de Cito score, gelijk blijft. Met andere woorden, twee kinderen kunnen op papier even sterk zijn, maar toch niet hetzelfde advies krijgen.
De kern is eigenlijk verrassend simpel. Leraren proberen een absolute inschatting te maken van wat een leerling aankan, maar kijken, bewust of onbewust, ook naar de plek van die leerling tussen klasgenoten. Dat is ergens menselijk, vergelijken gaat nu eenmaal sneller dan zuiver wegen. Toch zit daar een risico. Een sterke leerling in een uitzonderlijk sterke klas kan minder gunstig uit de bus komen dan een even sterke leerling in een rustiger, gemiddeld presterende groep. De klas wordt dan een soort vergrootglas dat het oordeel vervormt.
Niet voor ieder kind hetzelfde effect
Opvallend is dat dit rangorde effect sterker lijkt mee te spelen bij leerlingen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische positie en bij minderheidsgroepen. Als deze leerlingen onderaan de klassikale ranglijst terechtkomen, stijgt de kans op een lager advies extra hard. Het speelveld is dus minder vlak dan we graag denken.
Je zou misschien verwachten dat vooral beginnende leraren gevoelig zijn voor dit soort vertekeningen. Dat blijkt dus niet echt zo te zijn. In de studie lijken juist meer ervaren docenten soms sterker op klassikale verhoudingen te leunen bij het inschatten van lagere academische vermogens.
Coveney analyseerde gegevens van circa 460.000 leerlingen, afkomstig uit ongeveer 200.000 gezinnen en meer dan 5.200 basisscholen, over de periode 2006 tot 2021. Die bevindingen toetste hij bovendien met een tweede databron, de PRIMA survey, en de bevindingen bleven overeind. Daarom is nu bewustwording belangrijk. Nu scholen schooladviezen opnieuw moeten bekijken wanneer de doorstroomtoets hoger uitvalt, past dit onderzoek naadloos in het gesprek over kansrijk adviseren, brede brugklassen en later selecteren. Misschien is dat wel de belangrijkste les, zorgvuldig kijken naar een leerling vraagt meer dan vergelijken binnen de groep alleen.
Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst