Verplichte stagevergoeding is nog geen echte doorbraak

Het klinkt beslist als vooruitgang, een wettelijk recht op stagevergoeding voor mbo, hbo en wo. Maar, zolang de wet geen ondergrens noemt, blijft het risico bestaan dat studenten formeel wel iets krijgen, maar daar in de praktijk nauwelijks iets aan hebben. Een recht op papier is mooi, maar een stage betaal je niet met goede bedoelingen.

Een recht zonder bedrag

Minister Letschert benoemt terecht dat de huidige situatie willekeurig is. De ene student ontvangt een vergoeding, de andere helemaal niets, en dat verschil is lastig uit te leggen bij stages die allemaal onderdeel zijn van eenzelfde opleiding. Vooral in het mbo wringt dat. Volgens cijfers van het CBS kreeg in 2025 slechts 43 procent van de mbo studenten een stagevergoeding. In het hbo en wo liggen die percentages een stuk hoger.

Toch lost de nieuwe wet dat kernprobleem maar half op. Ja, er komt een verplichting. Maar, er komt voorlopig geen minimumbedrag. En daar zit het probleem. Want als een organisatie straks een 'symbolisch' bedrag overmaakt, pakweg een paar tientjes of nog minder, voldoet zij mogelijk alsnog aan de letter van de wet. Dan is de ongelijkheid niet verdwenen, die heeft alleen een netter jasje aangetrokken.

De kritiek van CNV Jongeren, de LSVb en het ISO is daarom zeker gegrond. Studenten maken reiskosten, kopen lunch, lopen betaalde werkuren mis en draaien ondertussen mee in een leertraject dat niet vrijblijvend is. Een stage is geen hobbyclub, maar een verplicht onderdeel van de opleiding. Dan mag toegang tot die leerervaring niet afhangen van hoe diep iemands portemonnee is.

Het meest gebruikte tegenargument is dat een vaste minimumvergoeding ertoe zou kunnen leiden dat sommige werkgevers minder stageplekken aanbieden. Maar het grote knelpunt bij stages is vaak niet alleen geld, maar vooral begeleiding. Juist daarom is het veelzeggend dat het kabinet tegelijk inzet op betere stagebegeleiding en verplichte stageovereenkomsten. Met andere woorden, kwaliteit vraagt meer dan alleen een plek aan een bureau of op de werkvloer.

Bovendien hebben eerdere afspraken via cao’s, het Stagepact mbo en de Stagecode hbo nog geen doorslaggevend resultaat opgeleverd. Er is vooruitgang, zeker, maar nogal voorzichtig allemaal. Je zou kunnen zeggen, het schiet niet echt op. Als zachte afspraken jarenlang onvoldoende effect sorteren, waarom zou dezelfde vrijblijvendheid nu ineens wel wonderen verrichten?

Een redelijke landelijke ondergrens, eventueel met ruimte voor sectorspecifieke aanvulling, ligt dan meer voor de hand. Dat geeft studenten rechtszekerheid en werkgevers duidelijkheid. Wie stages werkelijk ziet als essentieel onderdeel van leren en voorbereiden op werk, moet ook durven vastleggen wat die waardering minimaal waard is. Zonder zo’n norm blijft de verplichte stagevergoeding vooral een beleefde belofte, aardig verpakt, maar voor veel studenten nog steeds een beetje een dode mus.

VorigeWat gebeurt er met jongeren in de jeugdzorg zodra zij 18 worden?
Reacties (0)

Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst

Laat een reactie achter