De Hoge Raad heeft de ruimte voor vrijstelling van de leerplicht verder ingeperkt. In de kern komt het hierop neer, ouders kunnen zich nog maar in heel bijzondere situaties beroepen op vrijstelling als het gaat om openbaar onderwijs. Daarmee legt de hoogste rechter opnieuw nadruk op het recht van het kind op onderwijs. De uitspraak volgt op een zaak van een ouderpaar dat vanuit de geloofsovertuiging Tasawwuf geen passende school zag voor hun dochter. Zij voerden aan dat zij ernstige bedenkingen hadden tegen de richting van alle scholen binnen redelijke afstand van hun woonplaats.
Uitspraak gerechtshof
Het gerechtshof ging deels mee in hun bezwaren tegen religieuze scholen, maar niet in hun bezwaren tegen openbare scholen. Die vond het hof onvoldoende concreet en onvoldoende zwaarwegend. De ouders kregen een voorwaardelijke geldboete en stapten daarna naar de Hoge Raad. Dat beroep in cassatie heeft dus niets veranderd aan de uitkomst. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand. Belangrijker nog, de rechter heeft meteen het toetsingskader verduidelijkt en aangescherpt.
De Leerplichtwet verplicht ouders om ervoor te zorgen dat een kind staat ingeschreven op een school en die school ook geregeld bezoekt. Die verplichting is er niet voor de vorm. Ze dient het recht op onderwijs van het kind, inclusief de mogelijkheid om zich samen met anderen te ontwikkelen. Vrijstelling wegens bedenkingen blijft wel bestaan, maar alleen onder zeer strikte voorwaarden. De rechter moet daarbij nagaan of de bezwaren echt betrekking hebben op de richting van het onderwijs, dus op de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag, en niet simpelweg op de manier waarop onderwijs wordt gegeven.
In het geval van openbaar onderwijs legt de Hoge Raad de lat nu bijzonder hoog. Vrijstelling kan alleen nog slagen als aannemelijk wordt dat alle openbare scholen binnen redelijke afstand, voor zover het onderwijs een godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk karakter heeft, niet objectief, kritisch en pluralistisch werken. Dat zal in de praktijk zelden voorkomen. Heel zelden zelfs.
De uitspraak past volgens de Hoge Raad bij de grotere betekenis die het recht op onderwijs in de loop der jaren heeft gekregen, onder meer in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daar hoort ook een actieve overheid bij. Als een kind buiten onderwijs dreigt te raken, mag van de Staat worden verwacht dat die handhaaft, desnoods strafrechtelijk.
Het aantal kinderen met een vrijstelling op grond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet is de afgelopen jaren flink opgelopen, van ongeveer 800 in 2017 naar 2.475 in het schooljaar 2023/2024. Schattingen gaan zelfs richting 2.850. Juist daarom is de uitspraak relevant, maar ook lastig uitvoerbaar. Want wat gebeurt er met kinderen die al vrijstelling hebben? Daarover is nog veel onduidelijk.
Leerplichtambtenaren moeten binnenkort opnieuw naar herhaalverzoeken kijken en zitten nu met de handen in het haar. Organisaties als het Nederlands Jeugdinstituut verwelkomen de uitspraak, vooral omdat kinderen zonder toezicht makkelijk buiten beeld raken. De vereniging voor thuisonderwijs kijkt er juist kritisch naar en pleit voor wettelijke erkenning van thuisonderwijs, mét toezicht.
Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst