Nederlandse studenten, beroepsleerlingen, docenten en onderwijsinstellingen kunnen de komende 7 jaar ervaring op gaan doen in het buitenland. Hiervoor wordt ongeveer 500 miljoen euro beschikbaar gesteld voor Nederland in het nieuwe Europese programma Erasmus+. Door middel van uitwisselingsprogramma’s, taalonderwijs en stages kunnen zowel studenten als docenten in het primair, voortgezet, middelbaar beroepswijs en het hoger onderwijs de benodigde kennis in het buitenland op doen.

Minister Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap doet een oproep aan studenten en docenten om hier maximaal gebruik van te maken. “Nederlandse studenten moeten hun horizon verbreden en hun vleugels internationaal uit slaan. Dit is goed en leerzaam voor de vorming van de studenten, maar ook goed voor onze kenniseconomie.”

Andersom geldt dit namelijk ook. Het Nederlandse onderwijs heeft een sterke reputatie en is dus aantrekkelijk voor buitenlandse studenten. Met het actieplan ‘Make it in the Netherlands’ wordt er voor gezorgd dat de meerderheid van de buitenlandse studenten ook na hun studie in Nederland blijft. Toch blijft er een deel dat terug gaat naar hun land van herkomst om daar hun land en kenniseconomie te verrijken met de kennis die in Nederland is opgedaan. “Dus hebben wij juist die Nederlandse studenten nodig, die met hun internationale ervaring en kennis de Nederlandse arbeidsmarkt komen verrijken,” aldus minister Bussemaker.

Het Europese Erasmus+ programma stelt de komende 7 jaar 14,7 miljard euro beschikbaar voor onderwijs, training, jeugd en sport. Dit is een stijging van 40% ten opzichte van het vorige Europese programma, Leven Lang Leren. Erasmus+ is gericht op drie onderdelen: individuele leermobiliteit, samenwerking voor innovatie en praktijk, en ondersteuning van beleidshervormingen. Vandaag lanceert minister Bussemaker het Erasmus+ programma in Media Plaza in Utrecht tijdens de bijeenkomst ‘Erasmus+ onderneem jezelf.’