De klassengrootte is van belang voor het succes van passend onderwijs. Maar liefst 89 procent van de leraren geeft dat aan in de AOb-enquête 'Passend onderwijs vanuit de leraar bezien' die is gehouden onder 4000 leraren. “Het zal zeker niet slagen met grote klassen”, schrijft een deelnemer.

De ideale groepsgrootte in het basisonderwijs is 23 leerlingen en in het voortgezet onderwijs 22. Dat is een verschil met de praktijk waarbij klassen van 28 of meer voorkomen. Gemiddeld hebben leraren nu 5 zorgleerlingen in de klas, terwijl ze aangeven er gemiddeld 3 aan te kunnen. Het aantal zorgleerlingen, zal volgens 84 procent van de leraren, toenemen. En daarmee de werkdruk.

Onduidelijkheid
Ook heerst er nog veel onduidelijkheid over de invoering van het passend onderwijs. Zo weet 55 procent van de leraren niet of hun school een plan heeft waarin staat welke ondersteuning de school biedt. 45 procent weet niet wat de doelstellingen en gevolgen zijn van passend onderwijs.

“Leraren worden nog steeds niet betrokken bij het organiseren van passend onderwijs, terwijl zij het moeten gaan uitvoeren”, zegt AOb-bestuurder primair onderwijs Liesbeth Verheggen. Op 1 november 2013 moesten alle samenwerkingsverbanden zijn opgericht. Van de 152 besturen zijn er 100 klaar.

Deskundig
Wel voelen de meeste leraren zich deskundig genoeg om met de meest voorkomende problemen van leerlingen om te gaan, zoals adhd, autisme of faalangst. Alleen door de vollere klassen is het wel steeds moeilijker te ‘managen’.

Leraren geven aan meer handen in de klas te willen, zoals personen die deskundig zijn op één gebied. Ook pleiten ze voor kleinere klassen en willen ze meer tijd voor scholing.