Gemeenten willen niet langer opdraaien voor vervoerskosten van kinderen die vanwege hun levensovertuiging op een school zitten die ver verwijderd is van hun woonplaats. Ook een meerderheid in de Tweede Kamer lijkt daar vanaf te willen.

Dat bleek donderdag in de Tweede Kamer tijdens een hoorzitting over de toekomst van het leerlingenvervoer. Een medewerker van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, Koster, stelde dat het draagvlak onder de regeling verdwijnt omdat een relatief kleine groep ouders soms aanzienlijke bedragen krijgen in de tegemoetkoming voor het schoolvervoer.

De wethouders Ekkers (Kampen) en Pekema (Bergen) onderstreepten dat. Hun gemeenten keren op jaarbasis enkele tienduizenden euro’s uit aan schoolvervoer voor leerlingen die niet naar scholen in de buurt gaan. Omdat hun aantal groeit en omdat de gemeenten geen middelen hebben om hierop te bezuinigen -de hoogte van de vergoeding staat wettelijk vast- stelden de wethouders dat het schoolvervoer een eigen verantwoordelijkheid van de ouders moet worden.

Zo staan ook de coalitiepartners VVD en PvdA erin. PvdA-Kamerlid Ypma stelde al de afgelopen maanden al kritische vragen over de hoge bedragen die sommige gemeenten moeten uitkeren. VVD-Kamerlid Straus stelde donderdagmorgen in Trouw dat ouders er zelf voor kiezen om hun kinderen naar vergelegen scholen te sturen en dat de overheid daar niet voor hoeft op te draaien.

De voorstanders van afschaffing kregen tijdens de hoorzitting tegengas van ondermeer de directeur van Ouders en Coo, Katwijk. Die benadrukte dat de voorziening voor schoolvervoer in het leven is geroepen omdat de overheid in de jaren negentig vanwege bezuinigingsmaatregelen honderden basisscholen heeft gesloten. Volgens hem liggen er beloftes van de overheid en is bij afschaffing de betrouwbaarheid van de overheid in het geding.

ChristenUnie-Kamerlid Voordewind memoreerde een onderzoek van de Besturenraad, de koepel voor christelijk onderwijs. Daaruit blijkt dat van de 240 miljoen euro die gemeenten uitgeven aan schoolvervoer, er slechts 10 miljoen wordt gebruikt voor leerlingen die vanwege hun levensovertuiging naar verder gelegen plaatsen reizen.

Staatssecretaris Dekker van Onderwijs staat vooralsnog op het standpunt dat het schoolvervoer in stand moet blijven en dat hij hierover nader wil besluiten bij het nog komende debat over de krimp van scholen in gebieden waar de bevolking terugloopt.

Maandag 9 december debatteert de Tweede Kamer met Dekker over de toekomst van artikel 23 van de Grondwet, waarin de onderwijsvrijheid vastligt. Daarbij zal ook het leerlingenvervoer aan de orde komen.