Onderzoekers zetten vraagtekens bij positief beeld over bewegen in groep 8

De recente uitleg van de Onderwijsinspectie over de beweegvaardigheid van leerlingen in groep 8 kan rekenen op veel kritiek van de onderzoekers. Dertien onderzoekers en lectoren, allemaal betrokken bij het onderliggende onderzoek, vinden dat de inspectie de uitkomsten te optimistisch heeft uitgelegd. Wie nu denkt dat het wel meevalt, loopt het risico een hardnekkig probleem te onderschatten, waarschuwen zij.

Kritiek op duiding

De inspectie meldde vorige week dat kinderen in groep 8 nog ongeveer even vaardig bewegen als in 2016. Ook stelde zij dat Nederlandse leerlingen in grote lijnen voldoen aan Europese normen voor bewegen en fitheid. Die conclusie steunt op onderzoek onder ruim 2100 leerlingen, verspreid over 87 basisscholen. In dat onderzoek voerden kinderen allerlei opdrachten uit, zoals mikken, rennen, verspringen en balanceren.

De onderzoekers achter datzelfde rapport zeggen nu dat de kern van hun bevindingen elders ligt. Volgens hen is de motorische ontwikkeling van kinderen nog altijd zorgelijk zwak en is er geen sprake van vooruitgang geweest. En als het niveau in 2016 al te laag was, dan is gelijk blijven natuurlijk geen geruststellend nieuws, maar eerder een teken dat stilstand in feite achteruitgang betekent.

Wat de wetenschappers vooral steekt, is dat gemiddelden een nogal gladgestreken beeld geven. Op papier lijkt het dan misschien redelijk stabiel, maar in de praktijk vallen juist de kinderen buiten beeld die het hardst ondersteuning nodig hebben. Volgens de betrokken deskundigen kan ongeveer een op de vijf kinderen motorisch onvoldoende meekomen, tijdens de gymles, op het schoolplein of op het sportveld.

Ook op afzonderlijke vaardigheden zien de onderzoekers weinig reden voor tevredenheid. Zo zouden kinderen tegenwoordig minder goed zijn in gooien en vangen dan in 2006. Wie zulke basisvaardigheden mist, haakt sneller af, voelt zich onzekerder en doet minder makkelijk mee. Dat werkt door, ook sociaal trouwens.

Vrees voor bestuurlijk achteroverleunen

De onderzoekers maken zich bovendien zorgen over wat deze positieve toon kan losmaken in beleid. Of juist niet kan losmaken. Als de boodschap wordt dat het bewegen van kinderen wel op peil is, dan verdwijnt de druk om maatregelen te nemen al snel naar de achtergrond.

Daar komt nog bij dat recent beleid niet altijd de indruk wekt dat bewegen de prioriteit krijgt die het verdient. Zo verdween eerder de verplichting om kinderen dagelijks op school te laten bewegen uit beeld. Dan is een geruststellende conclusie van de inspectie, hoe goed bedoeld misschien ook, wel erg gemakkelijk.

Inspectie houdt vast aan eigen lezing

De Onderwijsinspectie laat weten achter de eigen conclusies te blijven staan. Volgens de inspectie zit het verschil vooral in de interpretatie van de resultaten. Tegelijk benadrukt zij dat er nergens is gezegd dat bewegen en sport geen aandacht meer nodig hebben.

Formeel klopt dat misschien, maar de toon van een boodschap doet ertoe, zeker in het onderwijsveld, waar scholen voortdurend moeten kiezen waar tijd, geld en energie naartoe gaan.

VorigeDoe mee aan onderzoek naar differentiatie in de klas
Reacties (0)

Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst

Laat een reactie achter