Alle scholen dezelfde doorstroomtoets

De afgelopen jaren is het toetslandschap voor groep acht geleidelijk uit elkaar gaan liggen, er zijn verschillende doorstroomtoetsen gekomen, ieder met een eigen toon en eigen accenten. Voor een bestuurder of intern begeleider is dat soms best puzzelwerk, want wat betekent een uitslag van aanbieder A nu precies in verhouding tot een toets van aanbieder B en wat ziet de brugklascoördinator in het voortgezet onderwijs daar uiteindelijk nog van terug, het ministerie van OCW laat daarom onderzoeken of het niet verstandiger is om weer toe te groeien naar één landelijke doorstroomtoets, één gemeenschappelijke maat waarmee ieder kind dat de basisschool verlaat wordt beoordeeld.

Van lappendeken naar één landelijke maat

Wie al wat langer in het basisonderwijs meeloopt, herinnert zich de tijd dat vrijwel iedereen nog de bekende Cito eindtoets afnam, daarna kwam de doorstroomtoets, en stap voor stap verschenen er alternatieven. Die keuzevrijheid voelde prettig, scholen konden een toets kiezen die volgens hen beter paste bij hun populatie of visie. Tegelijk ontstond een lappendeken, de inhoud en moeilijkheidsgraad van de verschillende toetsen liepen niet altijd synchroon, en dat maakte eerlijke vergelijking tussen scholen en regio’s er niet eenvoudiger op.

Minister Paul laat nu verkennen of teruggaan naar één doorstroomtoets haalbaar en wenselijk is. In de politieke discussie duiken steeds dezelfde argumenten op, overzichtelijkheid voor ouders en scholen, duidelijkheid voor het voortgezet onderwijs en vooral de vraag of één toets kan helpen om kansengelijkheid beter te borgen.

PO Raad wil sneller duidelijkheid en één toets

De PO Raad is al langer niet enthousiast over het huidige lappendeken model en pleit voor een stevige versnelling richting één doorstroomtoets ruim voor 2030. Hun redenering is herkenbaar, als ieder kind dezelfde toets maakt, worden uitkomsten onderling beter vergelijkbaar, hoeft het voortgezet onderwijs minder te puzzelen met verschillende score schalen en wordt het voor besturen lastiger om strategisch te shoppen tussen aanbieders in de hoop op net iets gunstigere resultaten.

Daar zit natuurlijk een bredere agenda achter, de raad koppelt de invoering van één toets expliciet aan het landelijke beleid rond kansengelijkheid. Een uniforme doorstroomtoets dwingt tot scherpe normering, continue monitoring van mogelijke vooroordelen in de opgaven en een transparant gesprek over hoe schooladvies en toetsscore samen het doorstroomrecht van leerlingen bepalen. Dat is geen magische oplossing, maar wel een stevig ankerpunt in een verder behoorlijk complex systeem.

Gevolgen voor scholen, praktijk in groep zeven en acht

Voor leraren en schoolleiders wordt de kernvraag heel concreet, hoe verandert mijn werk in groep zeven en acht, een landelijke toets kan de toetscultuur zowel de goede als de verkeerde kant op duwen. Aan de ene kant ontstaat meer rust richting het voortgezet onderwijs, één toets, één taal, minder discussie over de betrouwbaarheid van verschillen tussen aanbieders. Aan de andere kant ligt een te smalle focus op die ene meetdag altijd op de loer, zeker als de toets grote invloed houdt op het vervolgonderwijs.

Veel scholen zullen daarom willen inzetten op een stevige combinatie, door het jaar heen rijk en breed onderwijs, formatieve evaluatie, observaties en portfolio’s, en dan pas aan het eind die ene landelijke toets als een gezamenlijke ijkdag. De kunst wordt om het schooladvies leidend te houden en de toets ondersteunend, terwijl het doorstroomrecht van de leerling helder en rechtvaardig is geregeld.

VorigeScriptiebegeleiding als steun bij afstuderen
VolgendeTweedehands kinderfietsen: waar moet je op letten?
Reacties (0)

Er zijn bij dit artikel nog geen reacties geplaatst

Laat een reactie achter