Een derde van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) staat positief tegenover het wetsvoorstel om het bekostigingsmodel voor het VO te vereenvoudigen, iets meer dan een derde staat er neutraal tegenover (37%). Een minderheid, maar wel bijna een kwart (22%), staat negatief tegenover het wetsvoorstel. Dat blijkt uit het onderzoek Vereenvoudiging bekostiging VO dat afgelopen november is uitgevoerd onder 200 schoolleiders in het voortgezet onderwijs.
Het onderzoek is uitgevoerd door DUO Onderwijsonderzoek & Advies.

De financiële gevolgen voor schoolbestuur en voor eigen schoollocatie
Er zijn meer schoolleiders die denken dat het schoolbestuur c.q. de eigen schoollocatie erop achteruit gaat als de wet daadwerkelijk wordt ingevoerd (respectievelijk 29% en 35%) dan schoolleiders die denken dat hun schoolbestuur/schoollocatie erop vooruit gaat (respectievelijk 7% en 14%). Daarnaast denken relatief veel schoolleiders er noch op vooruit, noch op achteruit te gaan.

De meerderheid van de schoolleiders is voorstander van lumpsumbekostiging
Uit het onderzoek blijkt dat ruim de helft van de schoolleiders (56%) voorstander is van lumpsum als financieringsvorm van het voortgezet onderwijs. Een relatief kleine groep (12%) is er tegen. Bijna twee derde van de schoolleiders (62%) is het dan ook oneens met de stelling dat het beter is om terug te gaan naar de situatie waarin de financiering centraal door de overheid wordt geregeld. Tegelijkertijd geeft ‘slechts’ 28% van de schoolleiders aan dat de huidige lumpsumfinanciering toereikend is voor hun school.

Het wetsvoorstel
De bedoeling is dat er in de zomer van 2019 een wetsvoorstel wordt ingediend om het bekostigingsmodel voor het voortgezet onderwijs per 1 januari 2021 sterk te vereenvoudigen. Het idee is dat de lumpsumbekostiging blijft, maar dat deze gebaseerd wordt op vaste bedragen per leerling in de onderbouw en bovenbouw en per school. Er blijven dan nog maar vier criteria over voor de berekening van de bekostiging:

• Eén prijs voor alle leerlingen in de onderbouw en voor leerlingen in de bovenbouw van het algemeen vormend onderwijs.
• Eén prijs voor leerlingen in de bovenbouw van het voorbereidend beroepsonderwijs en leerlingen in het praktijkonderwijs.
• Een vast bedrag per vestiging van een school.
• Een hoger bedrag voor een hoofdvestiging dan voor een nevenvestiging.