Ruim 100.000 leraren en 10.000 schoolleiders afkomstig uit 33 landen hebben deelgenomen aan ’s werelds grootste onderzoek onder leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De resultaten van de Teaching and Learning International Survey (TALIS) zijn vandaag in Japan bekend gemaakt door de Organisatie voor Economische Ontwikkeling (OESO). Het rapport bevat aanbevelingen aan leraren, schoolleiders en beleidsmakers om het leraarsvak verder te versterken en zo het onderwijs aan leerlingen te verbeteren. Staatssecretaris Dekker is in Japan om de uitkomsten met zijn internationale collega’s te bespreken.

Schat aan informatie

Wie zijn nou die leraren, wat vinden ze van hun vak, hoe geven ze daar invulling aan en onder welke werkomstandigheden doen zij dat vergeleken met andere landen? Deze vragen staan centraal in het onderzoek, waar voor het eerst ook circa 2.000 Nederlandse leraren van bijna 130 scholen aan mee hebben gedaan. De OESO benadrukt in haar aanbevelingen met name het belang van goede begeleiding van nieuwe leraren en continue professionele ontwikkeling.

Opvallende uitkomsten voor Nederland

De tevredenheid onder Nederlandse leraren over hun beroep is groot: ruim negen van de tien leraren is tevreden. In het algemeen zijn ze meer tevreden over hun werk dan hun buitenlandse collega’s;

Slechts 5% van de Nederlandse leraren heeft spijt voor het lerarenvak te hebben gekozen. In andere landen is dat het dubbele (10%);

Wanneer leraren inhoudelijke feedback krijgen van collega’s en hun schoolleider, neemt hun werktevredenheid toe.

In Nederland staan opvallend minder vrouwen voor de klas dan in andere landen (55% tegen 68% internationaal);

Nederlandse leraren werken beduidend minder vaak full time dan hun internationale collega’s (43% tegen 82% internationaal). Ook hebben Nederlandse leraren vaker een vast contract (84% tegenover 83%)

40% van de Nederlandse leraren vindt dat het vak door de maatschappij wordt gewaardeerd. Internationaal gezien is dat bovengemiddeld. Uitschieters zijn leraren uit Singapore en Zuid-Korea. Daar is de maatschappelijke waardering vele malen hoger (68% en 67%). In Zweden en Frankrijk is de waardering voor het vak beduidend lager dan in Nederland.

Samen lesgeven –volgens de OESO een belangrijk verbeterpunt- wordt in Nederlandse klassen relatief weinig gedaan. Slechts een derde van de leraren doet dit terwijl dit internationaal bijna door het dubbele aantal leraren wordt gedaan (58%)

Een belangrijk middel om de kwaliteit van de leraar en het onderwijs te verbeteren is volgens de OESO deelname van startende leraren aan een intensief begeleidingsprogramma. Opvallend is dat startende Nederlandse leraren minder vaak een begeleidingsprogramma volgen dan leraren elders (46%:N, 49%: Int);

De meeste Nederlandse leraren (93%) doen weliswaar 'iets' aan professionele ontwikkeling, maar volgen wel veel vaker korte bijeenkomsten zoals congressen en seminars in tegenstelling tot hun buitenlandse collega’s die vaker langduriger bijscholing volgen;

Leraren besteden –net als hun collega’s in het buitenland- gemiddeld 42% van hun tijd aan lesgeven;

Nederlandse leraren geven zelf meer te lestijd verliezen aan orde houden in de klas dan gemiddeld in de TALIS-landen (16% tegenover 13%). Hierdoor blijft er minder tijd over voor lesgeven;

Nederlandse leraren (64%) vinden dat ze vaak lang moeten wachten voordat ze met hun les kunnen starten.

TALIS ondervroeg ook schoolleiders: Meer dan driekwart van de leraren werkt op een school waar volgens schoolleiders leerlingen wekelijks te laat komen. Het TALIS-gemiddelde ligt een stuk lager op 52%.

Meer dan de helft van de leraren in Nederland werkt op een school waar schoolleiders melden dat spieken regelmatig voorkomt. Het TALIS-gemiddelde is slechts 13%.

Volgens Nederlandse schoolleiders werken relatief minder leraren op scholen met een gemeenschappelijke onderwijsvisie (72% tegen 87% gemiddeld), waar openlijk gesproken wordt over moeilijkheden (79% tegen 93% gemiddeld) en waar succes gezamenlijk wordt gedeeld (75% tegen 90% gemiddeld);

Opvallend is dat bijna driekwart van de Nederlandse schoolleiders (71% tegen circa 39% gemiddeld) vindt dat een tekort aan gekwalificeerde of goed presterende leraren goed onderwijs belemmert. Alleen Japan scoort hier hoger. In landen als Finland en Denemarken ligt dit percentage een stuk lager.

*Alle percentages zijn Nederlandse of TALIS gemiddelden

Startpunt voor discussie

Staatssecretaris Dekker: “Dit onderzoek levert een schat aan informatie. We zien dat Nederlandse leraren op sommige onderdelen met kop en schouders boven buitenlandse collega's uitsteken, maar ook dat er op een aantal punten het nodige te verbeteren valt. TALIS maakt dit inzichtelijk en dat is de verdienste van alle leraren die hieraan hebben meegewerkt.

Het getuigt van lef en een gezonde mate van zelfreflectie als deze resultaten het startpunt vormen van een brede discussie tussen leraren onderling, hun schoolleiders en niet te vergeten de leerlingen over het versterken van het leraarschap. Want wat op andere scholen of over de grenzen heen helpt bij het versterken van het vak van leraren en het verbeteren van het onderwijs aan leerlingen, kan ook voor Nederlandse leraren en schoolleiders leerzaam zijn. Dat is peer-review in optima forma. Dit keer met een internationaal tintje”.

Kwaliteit leraren verhogen

Minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker hebben met hun Lerarenagenda en het Nationaal Onderwijsakkoord de ambitie neergezet om de kwaliteit van huidige en toekomstige leraren te verhogen. Belangrijke speerpunten hierin zijn onder meer het creëren van voldoende tijd en ruimte voor leraren om zich blijvend te ontwikkelen en verbeteren, maar ook om startende leraren veel beter te begeleiden bij hun eerste jaren in het onderwijs. In het onlangs gesloten sectorakkoord met het voortgezet onderwijs zijn onder meer deze afspraken geconcretiseerd. Met dit akkoord is jaarlijks een bedrag gemoeid dat oploopt tot jaarlijks 369 miljoen euro dat ten goede komt van het voortgezet onderwijs.