Het zal niemand in het onderwijs zijn ontgaan dat vandaag duizenden scholieren beginnen aan de jaarlijkse Cito-toets. Binnen de AOb is iedereen wel overtuigd van het nut van een eindtoets. Kritiek is er ook, omdat vo-instellingen veel te veel waarde hechten aan het resultaat dat kinderen scoren. ‘Het schooladvies moet leidend zijn. De Cito-score van een scholier geldt als een bruikbare second opinion’, zegt AOb-bestuurslid Liesbeth Verheggen.

Zoals ieder jaar legt Verheggen rond de Cito-toets uit wat het verschil is tussen het toetsresultaat en het schooladvies. ‘Een toets is een momentopname, het schooladvies wordt gebaseerd op het hele traject dat een scholier in het basisonderwijs doorliep. Anders gezegd: de Cito-toets is een foto, maar het schooladvies komt tot stand via een lange film.’

Begrip
Toch heeft Verheggen enig begrip voor het feit dat middelbare scholen in de laatste jaren meer waarde hechten aan het Cito-resultaat. ‘Het is niet goed, maar in het voortgezet onderwijs is de druk om te presteren vanuit politiek Den Haag enorm toegenomen. En helaas meten politici vaak de hoogte van de cijfers’, aldus Verheggen. ‘Dat werkt door in de beoordeling van basisschoolleerlingen: ten onrechte wordt gedacht dat het “harde” toetsresultaat meer houvast biedt dan het “softe” schooladvies.’

Het effect van die houding is voelbaar in groep 8. ‘De druk op kinderen die morgen de toets maken is onnodig groot. De Cito-toets wordt door veel mensen ervaren als een eindexamen’, stelt Verheggen. ‘Dat zie je ook aan het circus dat er omheen wordt opgetuigd. Overal worden stoomcursussen aangeboden. Er worden zelfs workshops georganiseerd waarin scholieren leren omgaan met de psychische druk. Let wel: we hebben het over kinderen van 11 of 12 jaar oud.’

Toetsgekte
Voor de AOb is duidelijk dat de toetsgekte zijn doel voorbij schiet. ‘Het is al een paar jaar aan de gang: in Amsterdam zijn zelfs afspraken gemaakt welke Cito-scores toegang geven voor welk type onderwijs. De aanbieders van bijscholingsprogramma’s zullen er wel blij mee zijn,’ verzucht Verheggen. ‘En natuurlijk: kinderen die door zo’n molen worden getrokken, zullen vast beter scoren.’

Maar het is de vraag of een scholier daar iets mee opschiet. ‘In onderwijsjargon heet dat ‘teaching to the test’: het gaat er dan om dat een scholier een hoog cijfer haalt op een proefwerk, niet om de vraag of hij daarna nog iets met die kennis kan. Bij stoomcursussen is de vraag: beklijft het? Daarnaast moeten we ons met elkaar afvragen hoe gelukkig een scholier wordt die op grond van een bijspijkerprogramma voor een toets naar de havo kan, terwijl hij meer op zijn plaats was geweest in het vmbo. Een Cito-resultaat kan daarover geen uitsluitsel geven. Een team van leraren dat een kind acht jaar lang heeft zien leren en groeien, kan dat wel.’

Verschuiving
Verheggen hoopt dan ook dat de verschuiving van de Cito-toets – met ingang van 2015 vindt de test plaats in april – leidt tot hernieuwde waardering voor het schooladvies van het basisschoolteam. ‘Berichten dat vo-instellingen op de late resultaten gaan anticiperen met alternatieve meetinstrumenten zijn wat de AOb betreft voorbarig. Scholen moeten als vanouds leren vertrouwen op het schooladvies.’