De veerkracht van het onderwijsstelsel moet verbeteren. Met meer variëteit kan het onderwijs beter omgaan met veranderingen. Maatschappelijke veranderingen doen zich niet overal op dezelfde manier of in hetzelfde tempo voor. Scholen hebben ruimte nodig om alert in te spelen op lokale onderwijsbehoeften: ze moeten programma’s en leerwegen kunnen aanpassen en innovaties kunnen doen. Een grotere verscheidenheid aan scholen bevordert dat het stelsel zich stapsgewijs (en zonder grote risico’s) kan aanpassen aan veranderende eisen vanuit de samenleving. Dat stelt de Onderwijsraad in het advies Een onderwijsstelsel met veerkracht dat vandaag is aangeboden aan minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker (onderwijs).

In een snel veranderende samenleving veranderen ook de eisen aan het onderwijs. Toenemende individualisering, automatisering, innovatie en internationalisering stellen hoge eisen aan de burgers van morgen, en aan hun opleiding nu. De druk op het onderwijsstelsel neemt toe. Aanpassingen in het stelsel vinden wel plaats, maar alleen op onderdelen. Sinds de verschijning van het rapport van de commissie-Dijsselbloem zijn beleidsmakers en politici huiverig om over het stelsel als geheel te praten, terwijl dat juist moet, zo stelt de Onderwijsraad. De raad kiest echter niet voor grote stelselwijzigingen op basis van een ontwerp van ‘het beste stelsel’. Wat het beste is, is in grote mate ongewis. Het is zinvoller om de veerkracht van het systeem – het vermogen tot aanpassing – te verbeteren.

De raad constateert in zijn advies bovendien een paar hardnekkige knelpunten in het Nederlandse onderwijs: de vroege selectie van leerlingen voor schoolsoorten, de sterke scheiding tussen algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs, en het ontoereikende pre- en postinitiële aanbod. Vernieuwende initiatieven die de onderwijssectoren en -kolommen overstijgen kunnen helpen deze knelpunten op te lossen. Omdat deze initiatieven niet vanzelf tot stand komen, adviseert de Onderwijsraad de minister en staatssecretaris ze actief en gericht te stimuleren. Tegelijkertijd is het de taak van de overheid om de grenzen van vernieuwing te bewaken: alle scholen moet goed onderwijs bieden en alle leerlingen moeten kansen krijgen.

Stimuleer actief en gericht nieuwe initiatieven
De overheid moet bestaande mogelijkheden voor vernieuwing beter bekend maken én de wet- en regelgeving verruimen. De raad adviseert daarnaast om sector- en kolomoverstijgende initiatieven gericht te stimuleren. Het gaat om: de vorming van heterogene groepen leerlingen op de overgang van primair naar voortgezet onderwijs; de inrichting van programma’s die algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs combineren; en het organiseren van educatieve voorzieningen voor jonge kinderen én voor volwassenen over de grenzen van het (onderwijs)stelsel heen.

Zorg voor stevige ijkpunten
De overheid moet tegelijk met het stimuleren van variëteit een aantal ijkpunten in het stelsel waarborgen. Zo ontstaat evenwicht tussen innoveren en het handhaven van kwaliteit. De overheid moet de waarde van diploma’s bewaken, evenals de professionaliteit van het onderwijspersoneel en de beschikbaarheid van toereikende publieke middelen.