Omdat de salarissen in 2014 niet aangepast worden aan inflatie en loonontwikkeling, levert onderwijspersoneel volgend jaar opnieuw 331 miljoen euro in. Dat blijkt uit antwoorden (vraag 43, 44, 45, 83) van minister Dijsselbloem aan de Tweede Kamer.

De vaste afspraak tussen regering en onderwijs is dat de salarissen de inflatie en loonontwikkeling in de markt volgen, dat heet de referentiesystematiek. In het onderwijs gebeurt dat al sinds 2010 niet, voor het primair onderwijs zelfs een jaar langer. Hierdoor is het onderwijspersoneel al 1,5 miljard aan loonbijstelling misgelopen en heeft fors aan koopkracht ingeleverd.

Normaal gesproken zouden de lonen op basis van die referentiesystematiek in 2014 volgens Dijsselbloem met ongeveer 1,5 procent stijgen. Voor de zomer maakte hij duidelijk dat vanwege de crisis ook in 2014 voor overheid en onderwijs die normale salarisstijging uitblijft, de nullijn. Omdat onduidelijk was hoeveel dat opbrengt vroeg de Tweede Kamer om meer inzicht.

Nu blijkt uit de informatie van Dijsselbloem dat al het het onderwijspersoneel samen opnieuw 331 miljoen euro inlevert. Als kleine pleister op de wonde is uit meevallers op de onderwijsbegroting voor het onderwijsakkoord 34 miljoen vrijgemaakt voor een zeer beperkte loonstijging in primair-, voortgezet- en middelbaar beroepsonderwijs. Voor die sectoren betekent dat een brutoloonstijging van ten hoogste 0,2 procent. Onvoldoende om de inflatie bij te benen, die volgens het CPB op 2 procent uitkomt.

Wel mogen werkgevers en werknemers nog met loonstijgingen uit 2015 schuiven van Dijsselbloem. Dat stond ook in de oorspronkelijke versie van het onderwijsakkoord. In dat jaar gaat de nullijn namelijk van tafel. Maar het mag alleen als het ministerie van Onderwijs uitgaven uit 2014 weet te verplaatsen naar 2015, zodat er per saldo geen extra uitgaven zijn. Ook kunnen werkgevers en werknemers afspreken om secundaire arbeidsvoorwaarden om te ruilen voor geld, maar uitsluitend als dat geen effect heeft op het brutoloon.