Hoewel basisscholieren op het platteland een beter schooladvies krijgen dan stadskinderen en hoger scoren bij de Cito-toets, gaan ze vaker naar het vmbo. Dat is één van de conclusies uit het rapport De Dorpenmonitor van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) dat donderdag is gepresenteerd.

Op de basisschool presteren kinderen in dorpen beter dan hun leeftijdsgenoten in de stad. Ze krijgen dan ook vaker een schooladvies voor havo of vwo. Maar dat advies wordt lang niet altijd opgevolgd en dus gaat een groot deel van de plattelandskinderen naar het vmbo.

Volgens de onderzoekers kan dat enerzijds komen door 'een weinig ambitieuze mentaliteit van henzelf en hun ouders'. Maar ook het feit dat er veel meer vmbo-scholen zijn op het platteland en dat een school die havo en vwo aanbiedt vaak ver weg is, speelt een rol. Vandaar ook dat hoe kleiner en meer afgelegen een dorp is, hoe lager het gemiddelde opleidingsniveau is.

'Dat is geen wenselijke situatie', stellen de onderzoekers. Immers, havo of vwo is nodig om op het hoger en universitair onderwijs te komen. Dat is vervelend voor de kinderen zelf, maar ook voor Nederland als geheel, omdat er 'potentieel voor de economische productie'' verloren gaat.

Andere conclusies van het SCP zijn dat ook op het platteland de crisis heeft toegeslagen: de arbeidsmarkt stagneert en de woningmarkt ligt vrijwel plat. Verder is de werkloosheid relatief wat hoger dan in steden en is het besteedbaar inkomen juist lager. Bovendien blijkt dat relatief veel 'kansrijke jongeren' vertrekken van het platteland, dat wel weer een aantrekkingskracht heeft op hoog opgeleide ouderen.

Anderzijds hebben de 5,3 miljoen mensen die in een dorp wonen, vaker goed contact met elkaar. 'Dorpsbewoners hebben meer en prettiger contact met buren en buurtgenoten dan stedelingen', concludeert het SCP. Ze helpen hun buren overigens niet vaker; ze zetten zich vooral vaker in als vrijwilliger en spannen zich meer in voor de leefbaarheid van de buurt.