Er komt geen bovengrens, overigens ook geen ondergrens, aan het aantal kinderen in schoolklassen. Staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs) schrijft dat maandag aan de Tweede Kamer.

Aanleiding is een onderzoek van zijn eigen ministerie waaruit blijkt dat de gemiddelde basisschoolklas dit schooljaar 23,3 kinderen telt. Vorig jaar was dat nog 22,8. In het voortgezet onderwijs varieert de gemiddelde groepsgrootte van 21 leerlingen (vmbo) tot 27 op de havo.

Dekker schrijft: 'Ik kan goed begrijpen dat leerlingen liever niet in een hele grote klas zitten, dat ouders zich dan afvragen of hun kind voldoende aandacht krijgt, en dat de leerkracht hieraan de handen vol heeft. Toch vertrouw ik erop dat besturen en schoolleiders, in overleg met leraren en de medezeggenschapsraad, hierin de juiste afwegingen maken.'

Hij voelt er daarom niets voor om een bovengrens in te stellen. Scholen hebben zelf ook aangegeven geen landelijke bovengrens opgelegd te willen krijgen vanuit Den Haag.

'Scholen krijgen voldoende geld om groepen van acceptabele omvang te kunnen samenstellen en slagen daar over het algemeen ook goed in. Ik realiseer me dat dit soms scherpe budgettaire keuzes vraagt. De komende tijd krijgen scholen wat ruimere financiële armslag. Daarmee komen er meer mogelijkheden om de werkdruk aanvaardbaar te houden en alle leerlingen de aandacht te blijven geven die zij verdienen', aldus de staatssecretaris.

Overigens zijn er uitschieters in het aantal leerlingen. Twee derde van alle groepen in het basisonderwijs telt weliswaar minder dan 26 leerlingen, maar 6 procent van de groepen heeft er meer dan 30. Grote scholen maken over het algemeen grotere klassen.

Scholen met grote klassen zorgen vaak voor ondersteuning in de vorm van onderwijsassistenten of extra vakleerkrachten. Na een centrale inleiding gaat de klas dan uiteen in kleinere groepen om onder leiding van een onderwijsassistent verder te werken. Dekker steunt die vernieuwing.