Mediawijsheid staat voor 'het geheel van kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen bewegen in een complexe, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld'; zo luidde de omschrijving van Mediawijsheid van de Raad voor Cultuur in 2005. Het is een definitie die het ons niet makkelijk maakt om het begrip in te kaderen: wat houdt mediawijs zijn nu eigenlijk in? Gaat het om informatievaardigheden, om veilig internetten of om de vaardigheid om nieuwe dingen te maken en te publiceren op internet?

De basis van mediawijsheid volgens de Raad voor Cultuur ligt in de noodzaak om je te kunnen bewegen in een gemedialiseerde wereld. In de tijd dat de Raad hun advies opstelde werden media vooral gezien als ondersteuning van en toevoeging aan het 'echte leven'. De Raad vond het - terecht - belangrijk dat iedereen in staat zou zijn om informatie te zoeken, vinden en presenteren en via het net zou kunnen participeren in allerlei burger- en overheidsinitiatieven zodat men zich beter zou kunnen handhaven in de echte wereld.

Maar ik denk dat het begrip 'gemedialiseerde wereld' inmiddels verder gaat. We gebruiken media niet alleen om ons echte leven te verrijken: de media zijn een wereld op zichzelf waarin we een virtueel leven leiden naast ons gewone leven. Onze virtuele identiteit ontwikkelt in zijn eigen tempo: soms loopt ons virtuele ego hand in hand met het ego in de echte wereld, soms ontwikkelt onze virtuele identiteit zich eerder en soms ook later dan in het echte leven. En soms ook zie je dat mensen virtueel andere eigenschappen hebben dan in het echte leven. In ons virtuele bestaan hebben we - gedeeltelijk - andere contacten en andere doelstellingen.

We weten dat veel leerlingen zo'n 'dubbel bestaan' leiden: naast hun contacten op school, op de sportclub, in de buurt enz., hebben ze contacten via MSN, in game-omgevingen en virtuele werelden. Door vallen en opstaan leren ze wat dat virtuele bestaan inhoudt, hoe ze zich daar het beste kunnen gedragen en wat het hen kan opleveren.

In het onderwijs wordt aan het virtuele leven van leerlingen weinig tot geen aandacht besteed. Dat is jammer, want er liggen zeker kansen voor het onderwijs. In een virtueel bestaan zijn er talloze mogelijkheden om te leren. Er ligt in de virtuele wereld een netwerk waar je mee en van kan leren: er is een virtuele samenleving met een virtuele economie en er zijn allerlei kunstvormen. In een virtuele wereld kan je een vriendenkring opbouwen waarmee je in verschillende talen contact onderhoudt en je kunt er een virtuele carrière opbouwen. Het virtuele netwerk zou in de toekomst wel eens net zo belangrijk kunnen zijn als vroeger (en misschien ook nog wel nu) het 'old-boys network. In een virtueel leven kan je je ontplooien: op het gebied van de schoolvakken, voor een toekomst in de maatschappij maar ook als mens.

Wie het beste wil halen uit zijn virtuele bestaan en virtuele ongelukken wil voorkomen, zal regelmatig moeten reflecteren: wat doe ik in mijn virtuele leven, met wie ga ik wel en niet om en hoe gedraag ik me daar? Hoe kan ik het netwerk benutten om mijn doelen te bereiken? Dat kunnen jongeren niet zelfstandig: daarbij moeten we ze helpen. Dat doen we vanuit onze kennis en ervaringen in het echte leven: de regels die we hebben ontwikkeld in het echte leven helpen ons ook verder in ons virtuele leven. Om te weten hoe we die kennis en ervaringen kunnen toepassen in een virtueel bestaan, moeten we met de leerlingen in gesprek om van hen te horen wat hun virtuele bestaan inhoudt en wat het voor hen betekent.

Als we de leerkansen in het virtuele bestaan van leerlingen willen benutten, hoeven we niet zelf een virtueel bestaan te gaan leiden. Maar we moeten wel met ze bespreken wat ze in hun virtuele bestaan doen en waarom en samen met hen nadenken over de mogelijkheden die de virtuele wereld ze biedt en hoe ze die mogelijkheden kunnen benutten.