Deel het schoolplein zó in dat alle kinderen – groot en klein, jongens en meisjes – de ruimte krijgen om te spelen tijdens het speelkwartier, en de kinderen gaan veel meer bewegen. En als de juffen en de meesters meedoen, wordt iedereen nóg enthousiaster. Dit zijn een paar conclusies uit het onderzoek van bewegingswetenschapper Mirka Janssen, waarop zij 28 november promoveert bij VUmc.
Met het door VUmc/Hogeschool van Amsterdam ontwikkelde bewegingsprogramma PLAYgrounds verdubbelde het percentage basisschoolleerlingen dat voldoende beweegt tijdens het speelkwartier op vier scholen van 38,7% naar 77,3%. Juist de meisjes en de kinderen van 10 tot 12 jaar, die vaak minder bewegen tijdens het speelkwartier, worden door het schoolpleinprogramma extra actief.

Ruimte
PLAYgrounds richt zich op twee zaken: het fysiek aanpassen van het schoolplein en het gebruik van het schoolplein zelf. Het schoolplein wordt ingedeeld in speelvelden. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat voetballende kinderen het plein grotendeels overnemen. Aangepaste pauzeroosters zorgen ervoor dat er minder kinderen tegelijkertijd naar buiten gaan en er zo meer ruimte is om te spelen tijdens de pauze.
Het programma PLAYgrounds levert elke klas een eigen tas met spelmateriaal dat aansluit bij de leeftijd, zoals springtouwen en linten voor tikkertje. Tijdens de gymlessen is er extra aandacht voor spelletjes en sporten die ook op het schoolplein te doen zijn. Het blijkt dat dit effect heeft: kinderen doen deze spelletjes vervolgens tijdens het speelkwartier. Tot slot krijgen de leerkrachten een actievere rol. Hen wordt gevraagd de kinderen aan te moedigen en af en toe zelf mee te doen aan de activiteiten. Ook dit blijkt een positief effect te hebben op het beweeggedrag van de kinderen.

Meisjes
Mirka Janssen voerde het programma uit op vier scholen, en vier andere scholen waar het programma niet draaide, dienden als controle. De grootte van schoolpleinen, het aantal kinderen en de mate van bewegen van de kinderen waren vooraf gelijk. Met observaties op het schoolplein was vooraf gemeten dat slechts zo’n 40% van de kinderen voldoende beweegt op het schoolplein. Op scholen met PLAYgrounds werd dat bijna het dubbele. De scholen met PLAYgrounds kregen 10 maanden begeleiding van een student van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO). De bewegingsmetingen gingen het hele jaar door. Daarna hebben scholen zelf het programma overgenomen. ‘De kinderen bleven actiever op de scholen met PLAYgrounds’, aldus bewegingswetenschapper en epidemioloog Mirka Janssen. Af en toe moesten de leerkrachten wel herinnerd worden aan hun bijdrage tijdens de pauze. Het programma bleek verder het beste aan te slaan bij meisjes en oudere kinderen. ‘Waarschijnlijk omdat deze kinderen minder actief waren voordat PLAYgrounds werd ingezet.’

Norm
Elk kind zou een uur per dag ‘matig intensief’ moeten bewegen, volgens de Nederlands Norm voor Gezond Bewegen, wat gelijk staat aan een uur stevig doorwandelen. Het speelkwartier alleen is dus te kort, maar voor veel kinderen is dat het enige moment op de dag waarop zij bewegen. Het PLAYgrounds programma kan worden ingezet om structureel beweeggedrag bij kinderen te stimuleren. Het programma is opgenomen in een database van het Centrum Gezond Leven van het ministerie van VWS en is beschikbaar voor scholen.